Collision 47: March 2020

And if I’m being honest, it might have been a nightmare

Dominique De Groen

Het begon, zoals wel meer dingen, met de Autoplay-functie van YouTube. Ongevraagd weerklonk door mijn koptelefoon ‘everything i wanted’, een nummer van Billie Eilish dat een maand eerder was uitgekomen. Toen ik de video een tiental keer na elkaar had afgespeeld, beslisten de algoritmes dat ik nood had aan ‘everything i wanted – Billie Eilish 1 Hour Loop’, geüpload door gebruiker JadeX. Daarna luisterde ik naar ‘Billie Eilish – everything i wanted 1 HOUR’ van One1Hour, ‘Everything I wanted (Billie Eilish) 1hour loop’ van Maddy Mart en ‘Everything I Wanted Lyrics [1 Hour music loop] ~ Billie Eilish’ van Music Hour. Enkele dagen later, nadat ik deze loops verschillende keren na elkaar had beluisterd, begrepen de onzichtbare krachten die mijn content voor mij selecteerden, dat ik klaar was voor het echte werk. En ik had geluk. Die dag gooide het kanaal HadiPixel de video ‘Billie Eilish - everything i wanted (10 HOURS)’ online. Voor ik goed en wel doorhad dat ik het niveau van de 1 hour loop ontstegen was, zat ik al bijna halverwege de tienurenversie. En dus ontstonden er vragen. Wat deed ik hier? Hoe was ik hier terechtgekomen? En het grootste mysterie van allemaal: waarom was deze video al tienduizenden keren bekeken?

***

Het was duidelijk dat ik niet alleen was. De versie van tien uur lang is inmiddels (eind februari 2020) 241.551 keer afgespeeld. Er circuleert ook een versie van negen uur (24.089 weergaven) en een van twaalf uur (35.038 weergaven). De verschillende versies van ‘maar’ een uur (ik vind er een tiental) zijn samen goed voor meer dan twee miljoen views. Een greep uit de commentaren suggereert dat tenminste sommige van deze kijkers de loops ook volledig of voor een substantieel deel uitzitten:

9:21:02 im about to finish this thing for the 8th time this month... yikes Here for the fifth night in a row See you guys in 10 hours i was playing the real version for a while and i realized i was gonna stay up all night crying so im here now Who else just comes here to cry? this song helps me cope and makes me feel so much better. the lyrics cause a warmth feeling in my stomach. no other music interests me. i’ve lost interest in all of the things that have made me happy. this is such a wonderful song. thank you I need this, thank you Now I can cry longer.

***

Ik kwam het nummer voor het eerst tegen in de nacht van 12 op 13 december 2019, terwijl ik in verschillende andere tabbladen de Britse verkiezingen aan het volgen was. De langzaam binnendruppelende uitslagen tekenden zich donker en onheilspellend af tegen mijn lichtgevende scherm. Jeremy Corbyn had net een speech gegeven waarin hij de verpletterende verkiezingsnederlaag van Labour toegaf en beloofde binnen enkele maanden te zullen aftreden als partijvoorzitter. Iedereen in huis was al lang gaan slapen. Ik was alleen, overgeleverd aan de genade van Autoplay om me af te leiden telkens wanneer ik even moest wegkijken van het bloedbad op de livestream van de BBC. Die nacht ben ik beginnen te huilen en naar ‘everything i wanted’ te luisteren. De volgende drie dagen ben ik met beide nauwelijks gestopt.

***

Afgaande op de commentaren ben ik niet de enige die naar dit nummer grijpt in tijden van bittere tranen. Zijn het de lyrics? ‘I had a dream’, zingt Billie, ‘I got everything I wanted / Not what you think / And if I’m being honest / It might have been a nightmare’. In haar droom springt ze van de Golden Gate Bridge. ‘Nobody cried / Nobody even noticed / I saw them standing right there / Kinda thought they might care.’ Het is niet duidelijk wat haar tot deze sprong drijft, maar haar plotse wereldfaam lijkt er iets mee te maken te hebben: het nummer eindigt met de lyrics ‘Cause everybody wants something from me now / And I don’t wanna let ’em down.’ Ergens halverwege het nummer ontwaakt ze echter uit haar droom: ‘But when I wake up, I see / You with me.’ Hoewel de lyrics duister zijn, is er ook ruimte voor troost en solidariteit. Ze is niet alleen. De daarop volgende regels, ‘And you say / As long as I’m here / No one can hurt you’, vormen het emotionele hart van het nummer en maken, vermoed ik, deel uit van de reden waarom ik er naar blijf terugkeren. Ook de commentaren onder de video’s verwijzen keer op keer naar deze drie regels. Sommige gebruikers geven toe dat ze in de 10 hour loop steeds opnieuw naar dit stuk luisteren en de rest overslaan. Hoewel deze lyrics in feite belachelijk simpel zijn, op het banale af, begrijp ik waarom. Wanneer ik ze hoor wil ik huilen, maar net in dat huilen voel ik me niet langer alleen. Billie nodigt al wie luistert uit om net zo kwetsbaar te zijn als zij, om het masker te laten zakken, de tranen te laten lopen. En zo consolideert zich rond dit nummer, in het witte licht en de eindeloze scroll van anonieme commentaarsecties, een vluchtige gemeenschap van kwetsbare, huilende, slapeloze mensen, die op elkaars commentaren reageren met hartjes en bemoedigende woorden.

Het is een opluchting om me niet te gedragen als het sterke en veerkrachtige neoliberale subject dat ik verondersteld word te zijn, efficiënt en in staat haar emoties netjes onder controle te houden. Ik ben in de rouw, omdat een van de weinige politieke projecten in Europa die me de afgelopen twee jaar hoop hebben gegeven, voor mijn ogen is ingestort, omdat de toekomst van de planeet net weer een tikje donkerder grijs is gekleurd. #selfcare in de vorm van een warm bad met een bruisbal van Lush zal me niet helpen om me morgen weer goed te voelen. Ik wil me slecht voelen, omdat het gezien de omstandigheden vreemd zou zijn dat niet te doen, en dit nummer is, door een mysterieuze samenloop van omstandigheden die ook ik niet kan verklaren, na de zoveelste luisterbeurt gestold tot een vrijplaats waar ik me schaamteloos shitty kan voelen. Had om het even welk ander lied voor mij deze functie kunnen vervullen? Of zijn er bepaalde muzikale mechanismen aan het werk die van dit specifieke nummer een perfecte geleider maken voor mijn emoties?

Ik heb de kennis noch het vocabularium om op accurate wijze over muziek te schrijven; ik kan het slechts hebben over hoe het voelt wanneer ik ernaar luister, op een lichamelijk niveau, en zelfs dat alleen maar in hopeloos metaforische bewoordingen. Het nummer dompelt me onder in een wereld in soft-focus, wazig en zacht. Iedere afzonderlijke klank lijkt verpakt in watten, en ik voel me alsof ik op de bodem lig van een lauw bad en de klanken mij door het water heen bereiken. Bovenal is het een repetitief en minimalistisch nummer. Dezelfde vier akkoorden herhalen zich steeds opnieuw. Er zijn geen uitschieters, geen tempowissels, geen apotheose of climax. Tussen strofes en refrein is er nauwelijks een verschil. Het is monotoon. Levenloos, haast. Wat ze zingt is duister en persoonlijk, maar de manier waarop ze het zingt is uitgesproken onemotioneel. Soms lijkt ze nauwelijks energie te hebben om haar mond te openen. Alsof ze neerligt, haar hoofd half onder een kussen, haar ogen toe, en haar tekst half fluistert, half mompelt. Hoe dit nummer klinkt? Het klinkt depressief. Lusteloos. Het klinkt als iemand die beschadigd is, maar die zich daarbij heeft neergelegd. Geen scherpe of acute, maar een doffe, aanslepende pijn. En het klinkt als potentiële solidariteit in pijn. Een balsem die negatieve emoties niet verdooft maar erkent, bestaansrecht geeft, zichtbaar maakt. Ruimte geeft om te ademen.

***

Deze kwaliteiten verklaren nog steeds niet waarom ik dagenlang zo’n buitensporige noodzaak voelde om een toch al repetitief nummer eindeloos opnieuw te beluisteren. Aanvankelijk, voordat Autoplay me zachtjes maar dwingend richting loops duwde, was deze herhaling nog een actief gebeuren. Om de paar minuten maakte ik een bewuste beslissing om op de replay-knop te drukken. Later onderging ik echter de herhaling passief, schijnbaar machteloos om haar te stoppen. De inmiddels vertrouwde klanken brachten mijn gedachten tot rust. Als ik het luisteren te lang moest onderbreken, bijvoorbeeld om een douche te nemen of te eten, werd ik nerveus. Ook nu nog, twee maanden later, grijp ik ernaar terug wanneer ik me down voel, als een kind naar een favoriet knuffeldier.

In een poging dit vreemde fenomeen te verklaren wend ik mij tot andere objecten die in de loop der jaren een gelijksoortige functie als emotionele steunpilaar zijn gaan uitoefenen: de boeken van de betreurde filosoof Mark Fisher, wiens stem en inzichten ik twee jaar na zijn dood meer dan ooit nodig lijk te hebben. Wat zou Mark Fisher hierover gezegd hebben?, denk ik over de meest uiteenlopende zaken, van het nieuwe nummer van Hannah Diamond tot Corbyns verkiezingsnederlaag. Dus: wat zou Fisher te zeggen hebben over mijn bizarre luistergedrag?

***

Fisher beschrijft hoe we in de 21ste eeuw in een soort van ‘eeuwig nu’ leven. Hij bouwt voort op de observaties van Franco Berardi, die stelt dat de toekomst langzaam maar zeker lijkt te worden afgelast: ‘the slow cancellation of the future’.1 Volgens Fisher is onze cultuur niet alleen het vertrouwen kwijt dat de toekomst beter zal zijn dan het heden, maar ook dat er überhaupt een toekomst, om het even welke, mogelijk is.2 Toekomstbeelden die wenselijk, haalbaar en zelfs onvermijdelijk schenen in de jaren 60 en 70, lijken dat steeds minder sinds de sociaaldemocratische consensus vanaf de jaren 80 vervangen werd door een neoliberale status quo. En omgekeerd zijn dingen die toen onmogelijk leken, zoals de privatisering van alles wat los en vast staat en het systematisch afbouwen van de welvaartsstaat, inmiddels doodnormaal geworden.3 Fisher vat het probleem samen met de frase ‘capitalist realism’: we kunnen ons geen wereld zonder kapitalisme meer inbeelden. Sterker nog, we vinden het makkelijker om ons het einde van de wereld dan het einde van het kapitalisme voor te stellen. Dit verwrongen voorstellingsvermogen toont zich in zijn meest kale vorm in de manier waarop we omgaan, of nalaten van om te gaan, met klimaatopwarming. We weten allemaal dat eindeloze groei op een planeet met eindige grondstoffen onmogelijk is, maar ieder plan om het voortbestaan van het leven op aarde veilig te stellen door die ongebreidelde groei aan banden te leggen, wordt ‘onrealistisch’ geacht. ‘Capitalism’, stelt Fisher, ‘seamlessly occupies the horizons of the thinkable’.4 Het heeft ons weten te doordringen van een nauwelijks nog in vraag gestelde idee: ‘that not only is capitalism the only viable political and economic system, but also that it is now impossible even to imagine a coherent alternative to it.’5 Kapitalistisch realisme, in de jaren 80 tot stand gebracht door Reagan en Thatcher, wordt belichaamd door een uitspraak waarmee die laatste probeerde te demonstreren dat de vrijemarkteconomie het enige werkbare systeem was, en daarom onvermijdelijk: ‘There is no alternative.’

Het is precies deze consensus, aldus Fisher, die ertoe heeft geleid dat we ons nauwelijks nog een andere, laat staan betere, toekomst kunnen voorstellen. In plaats daarvan heerst er een diep en alomtegenwoordig gevoel van uitputting, van culturele en politieke steriliteit.6 We koesteren een donkerbruin vermoeden ‘that the end has already come… that it could well be the case that the future harbors only reiteration and re-permutation. Could it be that there are no breaks, no “shocks of the new” to come?’7 Dit uitblijven van werkelijke vernieuwing mag niet verbazen. De affecten die het laatkapitalisme domineren, zegt Fisher, zijn angst en cynisme. ‘These emotions do not inspire bold thinking or entrepreneurial leaps, they breed conformity and the cult of the minimal variation, the turning out of products which very closely resemble those that are already successful.’8 En hoe kan de meerderheid van de mensen, wier levens in steeds grotere mate gekenmerkt worden door instabiliteit, precariteit, competitie en de angst om het weinige wat ze hebben kwijt te geraken, tijd en energie investeren in het creëren van iets nieuws, in het nemen van risico’s, in het laten werken van hun verbeelding?

Dit ‘eeuwige nu’ ziet Fisher ook weerspiegeld in de popcultuur. We zitten vast in eindeloze cycli van nostalgie: jaren 70, jaren 80, jaren 90, jaren 00, rinse, repeat. In de mainstreamcultuur zien we weinig vernieuwing, zeker in vergelijking met vorige decennia. Er is veel minder verschil tussen een top 40 van 2020 en een van 2000 dan tussen een van 1960 en 1980. Is er werkelijk evenveel tijd verstreken? Het voelt soms alsof de tijd aan het stollen is, alsof hij langzaam maar zeker opgevuld raakt met steeds meer versteende culturele vormen, en het steeds meer moeite kost voor onze lichamen en gedachten om ons er doorheen te bewegen richting toekomst, richting een toekomst, om het even welke toekomst.

Het economische systeem en de arbeidsregimes die daaruit voortvloeien, bepalen in grote mate ook onze tijdsbeleving. Om zo efficiënt mogelijk te kunnen reageren op de eisen van just-in-time production, die op hun beurt onderhevig zijn aan de obscure en onvoorspelbare bewegingen van internationale markten, willen werkgevers een steeds flexibeler leger aan werkkrachten, dat zonder waarschuwing kan aanzwellen of inkrimpen naargelang de noden van het moment. Een gevolg hiervan is de opmars van nulurencontracten, korte, tijdelijke jobs en posities als schijnzelfstandige. ‘Typically’, beschrijft Fisher de veranderende arbeidsmarkt, ‘you find yourself employed in a series of short-term jobs, unable to plan for the future.’9 En dus houdt de toekomst, in zekere zin, ook op met bestaan. Tijd houdt op met lineair te zijn, laat zich niet meer op geloofwaardige wijze voorstellen als een rechte en onambiguë lijn die van het heden naar de toekomst leidt. In plaats daarvan is er slechts een instabiel en verbrokkeld heden, gekenmerkt door een tijdsbeleving die kunstenaar en filosoof Hito Steyerl omschrijft als ‘junktime’. Dit is de temporaliteit van ‘those that must work multiple jobs in order to make a living or even not make a living… those who coordinate a jumble of micro jobs, complete with the logistical nightmare of harmonising competing schedules and negotiating priorities, or that are on permanent standby in the hope that their time and presence will become exchangeable for something else eventually’.10 Junktime is, in essentie, kapotte tijd: ‘broken down, kaputt on any level. Junktime is wrecked, discontinuous, distracted… Junktime is exhausted, interrupted, dulled by Ketamine, Lyrica, and corporate imagery.’11 Is het deze nieuwe tijdsbeleving, het resultaat van schijnbaar permanente sociale en economische instabiliteit, die ons doet verlangen naar het bekende, het vertrouwde – datgene waarvan we op voorhand weten dat het de vereiste lading dopamine zal vrijlaten in onze vermoeide en overprikkelde breinen zonder ons werkelijk uit te dagen? In junktime, zo herinnert Steyerl ons, ‘information is not power, but comes as pain.’12 Continu bestookt met informatie verlangen we naar een warme cocon waarin we hopen iets te vinden dat lijkt op rust, zonder echter ooit volledig losgekoppeld te zijn van de stroom van data en content waaraan we inmiddels verslaafd zijn geraakt.

Luisteren naar nieuwe popliedjes die ook gemaakt hadden kunnen zijn in de jaren 80 of 90 is één ding. Is het steeds opnieuw luisteren naar hetzelfde nummer een nog extremere versie van dit fenomeen – het logische eindresultaat van dezelfde onderliggende behoeftes en compulsies? Is dit wat ik aan het doen ben wanneer ik voor de zoveelste keer die eerste strofe inglijd? Ik denk dat dit een gedeeltelijke verklaring is. Maar ik heb het gevoel dat er ook iets anders aan de hand is. Iets nieuws, zo specifiek, misschien, voor dit moment in de geschiedenis, dat zelfs Fisher het niet heeft voorzien.

***

Fisher maakt een onderscheid tussen deze steriele popculturele nostalgie en wat hij ‘hauntology’ noemt. Deze term, oorspronkelijk bedacht door Jacques Derrida, is een woordspeling op ontologie en suggereert dat alles wat bestaat, alles wat aanwezig is, wordt omgeven en gestructureerd door een reeks leegtes of afwezigheden. Hauntologie is de studie van datgene wat niet meer bestaat, nog niet bestaat, of nooit heeft bestaan als meer dan een ongerealiseerde mogelijkheid, maar niettemin effect heeft op de wereld – ‘the agency of the virtual’,13 de aanwezige afwezigheid. De toekomsten die we ons ooit konden inbeelden en die inmiddels onmogelijk geworden zijn, spoken nog steeds door het heden. Onze tijdsgeest is volgens Fisher ‘essentially hauntological.’14 We worden bespookt door dingen die hadden kunnen gebeuren maar die niet gebeurd zijn, door ‘futures that failed to materialise and remained spectral’.15 Dit concept hebben Fisher en anderen toegepast op artiesten zoals The Caretaker, William Basinski of Burial, wier muziek sporen lijkt te bevatten van deze verloren toekomsten, van mogelijkheden die in de kiem werden gesmoord voordat ze konden worden verkend, laat staan gerealiseerd. De illusoire nabeelden die deze ongeboren toekomsten hebben achtergelaten in onze verbeelding worden door hen vertaald naar klank. Burial, bijvoorbeeld, ‘conjures audio-spectres out of crackle’, schrijft Fisher; hij wordt gekweld, bezeten, door ‘the tantalising ache of a future just out of reach,’ door ‘what could have been, and – most keeningly – what could still happen. The album is like the faded ten year-old tag of a kid whose Rave dreams have been crushed by a series of dead end jobs.’16 Fisher beschrijft perfect het hauntologische potentieel van deze muziek, de spookachtige kwaliteit die me altijd tot Burial heeft aangetrokken maar waarop ik nooit precies de vinger kon leggen. Maar wat ik me afvraag: wat gebeurt er op het precieze moment waarop een bepaalde toekomst komt te sterven? Deze muziek is achteraf gemaakt, is ontstaan uit geluidsgolven die heen en weer stuiteren tussen het puin van toekomsten die al lang zijn verdwenen en waaruit nieuwe toekomsten vooralsnog maar niet geboren lijken te kunnen worden. Maar hoe klinkt het moment waarop we een toekomst in real time voor onze ogen in elkaar zien storten? Heeft zo’n moment een geluid? Of is er alleen stilte?

***

Het einde van Fishers boek Capitalist Realism: Is There No Alternative? laat ruimte voor hoop. ‘The very oppressive pervasiveness of capitalist realism’, besluit hij, ‘means that even glimmers of alternative political and economic possibilities can have a disproportionately great effect. The tiniest event can tear a hole in the grey curtain of reaction which has marked the horizons of possibility under capitalist realism. From a situation in which nothing can happen, suddenly anything is possible again.’17 In de afgelopen maanden en jaren zijn er, heb ik het gevoel, enkele scheurtjes verschenen in de betonnen muur die ons opsluit in een steeds dystopischer aandoend heden. Een figuur die me hoop geeft, die het potentieel heeft om een van deze scheuren open te trekken en de toekomst naar binnen te laten sijpelen, is Bernie Sanders, die momenteel nog steeds kans maakt om president van de VS te worden. De andere was Jeremy Corbyn. Hun politieke agenda’s waren (en zijn nog steeds, in het geval van Sanders) potentieel transformatief.

In zijn boek The Extreme Centre: A Warning schetst historicus Tariq Ali een ontnuchterend beeld van de parlementaire democratie in Europa en Noord-Amerika, en dan vooral van de zogenaamd progressieve partijen van de mainstream. In de meeste landen, stelt hij, zijn deze partijen samen met conservatieve, centrumrechtse en liberale partijen een de facto coalitie gaan vormen die hij ‘the extreme centre’ noemt. Dat extreme centrum dient niet zozeer de belangen van de bevolking als wel die van het kapitaal.18 Vaagweg linkse politici als Tony Blair of Barack Obama zijn niet alleen in chronologische, maar ook in politieke en inhoudelijke zin de opvolgers van Reagan en Thatcher – toen men Thatcher twaalf jaar na het einde van haar beleid vroeg wat ze haar grootste prestatie achtte, noemde ze zelfs het beleid van Blair en New Labour. In de VS en de meeste Europese landen werd vanaf de jaren 80 een nieuwe economische orde geïnstalleerd: belastingsverlaging voor grote bedrijven en vermogens, privatisering van zoveel mogelijk overheidsdiensten, deregulering van de markten. Politici werden managers, die de maatschappij dachten te kunnen besturen zoals een CEO een bedrijf. Zij zouden het bestaande systeem alleen nog verder op punt stellen en efficiënter maken, hier en daar bepaalde plooien gladstrijken, maar aan de fundamenten ervan zouden zij niet meer raken. Van nu af aan werkten de mainstream politieke partijen samen, met als voornaamste doel het kapitalisme in stand te houden en de status quo van de vrije markt te verdedigen door koppig vol te houden dat de belangen van grote bedrijven en die van werkende mensen niet tegenstrijdig zijn met elkaar.19 Het verschil tussen de mainstream partijen werd een kwestie van marketing, van wie de beste slogan, spin doctor, grafisch vormgever of socialmediamanager had; macht werd een doel op zich, ‘a means to acquiring money and well-paid consultancies after leaving office’.20 Dit fenomeen doet zich niet alleen voor in de VS en het VK, al kent het daar misschien wel zijn meest extreme vorm. Andere voorbeelden zijn politici als Emmanuel Macron in Frankrijk of progressieve posterboy Justin Trudeau in Canada. Maar zo ver hoeven we het zelfs niet te zoeken: de ‘vernieuwing’ waarbij in Vlaanderen de SP de sp.a. werd, laat zich duidelijk lezen als een beweging gelijkaardig aan Labours transformatie naar New Labour.

Toen Jeremy Corbyn, een haast onbekende backbencher en activist, plots verkozen werd tot partijleider van Labour, leek verandering plots weer mogelijk. Voor het eerst sinds decennia durfde een oppositieleider opnieuw te pleiten voor zaken die lang te radicaal werden geacht: het hernationaliseren van de spoorwegen, het drastisch optrekken van het minimumloon, het afschaffen van inschrijvingsgeld aan universiteiten (dat overigens aanvankelijk niet door de Tories maar onder New Labour werd ingevoerd). Met zijn uitgesproken socialistische politiek sloeg Corbyn er bovenal in om een hele generatie jonge mensen voor het eerst de hoop te geven dat politiek werkelijk iets kon veranderen. Hij was, samen met Sanders, een van de eerste politici sinds lange tijd die serieus beloofde de status quo van het kapitalistisch realisme, het pact tussen politiek, geld en industrie, aan diggelen te slaan. Wat als zij beiden in minder dan een jaar aan de macht zouden komen? Ik durfde het me nauwelijks voor te stellen. Plots leek het me weer mogelijk dat de wereld echt zou veranderen, niet ten kwade maar ten goede. Al lang had ik het gevoel dat we pijlsnel over een onverlichte autostrade raasden, reeds ver gevorderd op de weg naar een kapitalistische dystopie geteisterd door ecologische rampen. Dit klinkt dramatisch, maar ik heb er de energie niet voor om me hoopvoller voor te doen dan ik ben. Ik had dan ook niet verwacht dat er plots, uit de duisternis, twee lichtgevende wegwijzers zouden opdoemen. Twee exits. Op de valreep. De eerste afslag hebben we gemist op 12 december.

Het was pijnlijk om in de weken voor de Britse verkiezingen te zien hoe iemand die zijn hele carrière had gestreden tegen onrecht en ongelijkheid, nu door de media door het slijk werd gehaald; hoe iemand die al decennialang protesteerde tegen racisme daar nu zelf van werd beschuldigd. Tegen Corbyn werd een lastercampagne gevoerd van onwaarschijnlijke proporties. Volgens een rapport van The Independent bevatte 75% van de berichtgeving rond Corbyn feitelijk onjuiste informatie.21 In de weken voor de verkiezingen bracht Loughborough University in kaart hoeveel positieve en negatieve artikels er over de grootste partijen werden gepubliceerd, waarbij de onderzoekers aan ieder artikel een bepaald gewicht toekenden naargelang de circulatiecijfers. In de laatste week ontving de Conservatieve Partij een positieve nettoscore van +30,17. Labour kreeg een negatieve nettoscore van -96,66.22 Natuurlijk, dacht ik. Hoe kon het anders lopen? Ook de mediamagnaten hebben er immers alle belang bij dat de status quo niet wordt bedreigd door iemand met al te radicale plannen. Rupert Murdoch, eigenaar van The Sun en The Times, en Jonathan Harmsworth, 4th Viscount Rothermere, eigenaar van The Daily Mail, zijn helemaal niet van plan om miljonairstaksen te gaan betalen, en zijn bereid om al hun macht en invloed in de schaal te werpen om zo’n beleid te voorkomen. Dit besef stemde en stemt me somber en moedeloos.

***

Dit voelt anders dan rouwen om een toekomst die veertig jaar geleden is gestorven en die nog steeds rondwaart in het heden. Dit voelt alsof er een toekomst live op de TV de nek werd omgewrongen. Op zo’n moment is er misschien niets passender dan keer op keer naar hetzelfde nummer luisteren. Geen verrassingen, geen breuk, niets nieuws of onverwachts terwijl mijn brein de shock verwerkt. In de wereld en in de politiek is die eindeloze herhaling en herkauwing van hetzelfde diep deprimerend. Maar wanneer Billie Eilish het doet, voel ik me veilig, geborgen en iets minder angstig. Dit is mijn alternatieve eeuwige heden, een zachte warme plek zonder tijd. Na x aantal luisterbeurten houdt het nu waarin mijn lichaam moet bestaan op met echt te zijn, wordt het zoals de nare droom waarover Billie zingt: ‘if I’m being honest, it might have been a nightmare.’ Heel even wordt deze cocon, deze tien uur durende capsule van tijdruimte, de echte realiteit.

***

Door steeds opnieuw naar hetzelfde te luisteren, probeer ik mezelf te verlossen uit de eindeloze cyclus van dat wat zich voordoet als nieuw, maar het niet is. Op deze manier, houd ik mezelf voor, ben ik tenminste eerlijk met mezelf over wat ik aan het doen ben. En misschien hoop ik dat zich in die herhaling na verloop van tijd iets zal openbaren. Misschien wacht ik op het moment waarop ik de muziek zo vaak heb gehoord dat ze louter ruis wordt en zich in die ruis een vorm aftekent, de vorm van iets werkelijk nieuws, iets werkelijk vreemds, iets werkelijk onverwachts, iets waarvoor ik pas opensta nu mijn aandacht niet voortdurend wordt afgeleid door de lege beloftes van het soort-van-nieuwe. Zoals Burials ‘audio-spectres out of crackle’ misschien, maar dan levend en substantieel. Of is dit eerder een vorm van zelfhypnose? Wil ik, ergens halverwege de 476ste keer dat ik het nummer hoor, vergeten wie ik ben, waar ik ben, en opgaan in de ongedifferentieerde zee van emoties van iedereen die er op hetzelfde moment naar luistert? Ik verlang naar een verdriet dat niet louter privaat en individueel is, maar collectief. Ik voel me getroost in de wetenschap dat anderen op dit eigenste moment ook naar deze 10 hour loop aan het luisteren zijn: huilend, aan het proberen om in slaap te vallen, zichzelf te kalmeren. Alsof we allemaal tezamen kunnen wegsmelten in dit warme sonische nu, ontdaan van onze lichamen en individuele affecten. Onze stress, die in zovele gevallen toch wordt veroorzaakt door dezelfde of gelijkaardige maatschappelijke, economische, sociale of politieke factoren, deprivatiseren. Loskoppelen van iedere individuele luisteraar. Delen.

De paradox is natuurlijk dat ik me in werkelijkheid net terugtrek in een individualistische bubbel. Hier zit ik, alleen, achter mijn scherm, koptelefoon over mijn oren, me afsluitend van de wereld. Door het gebruik van headphones of oortjes, zegt Fisher, ‘pop is experienced not as something which could have impacts upon public space, but as a retreat into private “OedIpod” consumer bliss, a walling up against the social.’23 Maar ‘consumer bliss’ zou ik dit niet noemen. Ik wil me niet afsluiten van het sociale. Ik wil verdrinken in verveling en me in dat verdrinken verbonden voelen met iets of iemand. Maar wie of wat hoop ik te vinden wanneer ik de bodem van de 10 hour loop bereikt heb? En wat als er geen bodem blijkt te zijn maar alleen meer loop?

***

Soms kan ik me niet meer van de indruk ontdoen dat parlementaire politiek slechts een schijntoneel is, dat onzichtbare en sinistere spelers in de vorm van schatrijke investeerders, CEO’s, mediamagnaten en lobbyisten de echte macht in handen hebben en iedereen uitschakelen die de status quo bedreigt. In een r/labour-thread naar aanleiding van de eerder genoemde statistieken van Loughborough University zegt een zekere u/ToastBoxed,

The problem isn’t the British media, the problem is that we’ve all been conned into the belief that if we came armed with facts, evidence and coherent argument, those with all the wealth and power would willingly step aside. When, in the entire history of our society have these people EVER willingly given way? Greed is killing the country and the planet, and I just hope to god there’s more than ashes to pick over when this lot finally keel over.24

In een stuk over Labours nederlaag schrijft The Guardian-columnist George Monbiot dat ‘[a] new politics, funded by oligarchs, built on sophisticated cheating and provocative lies, using dark ads and conspiracy theories on social media, has perfected the art of persuading the poor to vote for the interests of the very rich.’25 Ik voel me alsof u/ToastBoxed, George Monbiot en ik cirkeltjes draaien rond iets dat onuitgesproken blijft. Fisher schrijft dat, ‘at the level of the political unconscious, it is impossible to accept that there are no overall controllers, that the closest thing we have to ruling powers now are nebulous, unaccountable interests exercising corporate irresponsibility.’26 We kunnen dit niet accepteren, ‘because the centerlessness of global capitalism is radically unthinkable.’27 Misschien is het daarom dat ik, telkens wanneer ik op dit soort gedachten uitkom, meteen het gevoel krijg dat ik zelf een conspiracy theorist ben, of op zijn minst iemand die met paranoïde samenzweringstheorieën te verleiden valt – geen haar beter dan de aanhangers van Trump, dus, of dan de vrouw die ik voor mijn eigen goedkope amusement volg met mijn valse Facebookprofiel en die dagelijks tientallen berichten post over de doofpotoperatie rond ‘Global cooling’, over hoe de piramiden in werkelijkheid gebouwd werden door demonen en over het geheime naziverleden van George Soros. Dus blijven mijn gedachten rondjes draaien. Mijn brein verandert zelf in een ten hour loop. Iets ontglipt me. Eerst glijdt de toekomst, dan het heden door mijn vingers. Billies vlakke, duistere nummer, niet zozeer doordrongen van emotie als wel van de afwezigheid daarvan, een gevoel van verdoofdheid, weerspiegelt hoe ik me voel. De loop is een eeuwig nu waarin iets ontbreekt. Ergens, begraven onder die paar in watten gewikkelde piano-akkoorden op de bodem van een lauw bad, zit het gapende gat waaruit iets is weggerukt – een toekomst, een centrum dat ik ergens aansprakelijk voor kan houden. De wonde is nog vers. Het nummer bloedt leeg op mijn scherm, op mijn toetsenbord, in mijn oren. De vloeistof is kleverig en warm.

***

Waar gaat dit stuk naartoe? Nergens. Fisher waarschuwt voor wat hij ‘reflexive impotence’ noemt: precies weten hoe erg het is, en net daardoor de moed verliezen om er iets aan te doen. ‘They know things are bad, but more than that, they know they can’t do anything about it. But that “knowledge”, that reflexivity, is not a passive observation of an already existing state of affairs. It is a self-fulfilling prophecy.’28 Ik weet dat ik hierin niet mag vervallen. Maar tegelijkertijd heb ik het ook gehad met de inmiddels bijna tot cliché verworden aanmaning om hoopvol te blijven, om in mijn leven en werk niet toe te geven aan de wanhoop. Te veel essays en artikels al heb ik gelezen die hun gitzwarte inhoud compenseren met de obligate hoopvolle noot in de laatste paragraaf, waarin de schrijver plots beweert dat alles toch nog goedkomt. Het komt geforceerd en ongeloofwaardig over. Ik schaam me niet voor momenten van wanhoop maar ontwikkel overlevingsstrategieën om die momenten te doorstaan. Strategieën om de wondes open te houden, om woede en verdriet en angst levend en scherp te houden. Misschien zijn het net die negatieve emoties die ons de energie zullen geven om de toekomst uit het karkas van het eeuwige heden te sleuren.

Noten